Het geheim van de vrijmetselaars

Er bestaat een haast onuitroeibaar waanbeeld over de geheimen en complotten bij de vrijmetselarij. Daarbij wordt zelfs geroddeld over een joods-maçonnieke samenzwering om de maatschappij te destabiliseren en dat alles, in het grootste geheim.

Wat is wél waar ?

Tijdens de inwijding krijgt de profaan te horen aan welke verplichtingen hij zal moeten voldoen als leerling vrijmetselaar. Aan buitenstaanders mag hij niets vertellen over wat hij hoort en ziet in de loge, zonder daartoe uitdrukkelijk de toestemming te krijgen. Bij deze belofte is er als vanzelfsprekend een uitzondering.  Enerzijds mag de profaan verkondigen dat hij lid is van de orde. Hij kan dit doen aan de mensen waarvan hij vindt dat ze dat mogen weten. Maar anderzijds mag hij nooit zonder diens toestemming de naam noemen van een andere broeder. Deze geheimhouding is zinvol om – onder andere – om de filosofische neutraliteit te bewaren bij vele beroepen.

 Hoe zit dat dan met dat zogenaamde ‘geheim’ ?

Dat geheim bestaat, maar het is van een andere aard dan hetgeen het publiek vermoedt. Het namelijk zo dat elke vrijmetselaar, op zijn manier omgaat met hetgeen er tijdens de rituelen meemaakt. Hij verwerft inzichten en gevoelens door zijn persoonlijke omgang met de woorden, symbolen en tekens. Deze prikkelen zowel zijn intellect maar ze hebben tevens een invloed op zijn manier van zijn. Het gebeurt geleidelijk en het is eigenlijk onverklaarbaar in woorden. Het wordt op den duur onderdeel van een persoonlijke spiritualiteit. Dit onverklaarbare kunnen we eigenlijk een ‘geheim’ noemen. Want het is specifiek voor die ene vrijmetselaar en onoverdraagbaar naar een andere persoon.

De vrijmetselarij is discreet in haar publicaties en in de openbaarheid (bijvoorbeeld naar het internet) en stelt ze zich bescheiden op ten aanzien van de eigenheid van haar leden. Maar het kan ook zo zijn dat broeders en loges onderling van gedachten wisselen over hun ervaringen en dat kan verrijkend zijn.

 

Pistis, maître maçon.

Vertaling, Johan De Vos, meester vrijmetselaar