Wie kan vrijmetselaar worden ?

Wie kan vrijmetselaar worden ?

Een loge die al te intensief rekruteert gaat voorbij aan de principes en methode van de vrijmetselarij. En toch is een reguliere en traditionele vrijmetselaarsloge in hoofdzaak een inwijdingsgenootschap. .

De vraag is deze: wie wordt toegelaten, of beter nog, wat zijn de criteria om aangenomen te worden ? Drie criteria zijn van fundamenteel belang.

Eén, over de intellectuele vaardigheid beschikken om de symbolen van de vrijmetselarij te bevatten. Want pas als men over die bekwaamheid beschikt zal de arbeid in de loge vruchten dragen. En ja, veel mensen beschikken over deze gave.

Twee, de drang hebben om aan zichzelf te ‘werken’ en te streven naar een grotere volmaaktheid.  Het is niet evident, bijlange niet alle mensen hebben deze ambitie.

Drie, bereid zijn om zichzelf het herontdekken. Om te komen tot een groei in het ethische en spirituele domein zijn momenten van meditatie vereist. Het probleem daarbij is dat het mediteren een attitude vereist waarbij  men zich kan losmaken van het vluchtige. Het is een hoogst persoonlijke inspanning die alles te maken heeft met oefeningen in ‘stilte’ in de brede betekenis van dat woord.

Het spreekt vanzelf dat deze drie basiskwaliteiten niet meteen expliciet aanwezig zijn bij de kandidaten die zich voorbereiden op de weg van de inwijding. Ze zijn echter latent aanwezig bij elke mens die in zich de drang weet om zijn leven te verdiepen.

Het is een opdracht voor alle broeders van de loge om de dubbele verantwoordelijkheid om zich te nemen en zo de mogelijkheden van de profaan te kennen en te waarderen, zodat ze vruchten afwerpen in zijn symbolisch parcours via de drie graden van leerling, gezel en meester.

Die vruchtbaarheid zal afhankelijk zijn van de visie van de broeders die beslissen of de profaan wel of niet over de capaciteiten beschikt om een goede broeder te worden, van de dynamiek waarmee een  profaan wordt opgenomen, van de peters die hem ontvangen en begeleiden en van alle broeders die met hem in de broederketen staan en beschikbaar zijn om naar hem te luisteren en hem bij te staan.

Van de neofiet wordt verwacht dat hij een openheid van hart bewaart, een alerte geest  en de attitude van dienstvaardigheid.

 

Vrijmetselaarsrituelen (deel 2)

Vrijmetselaarsrituelen (deel 2)

Bij het vorige deel zagen we reeds dat men niets krijgt voor niets. Het leven in een maatschappij en met anderen heeft zijn prijs.  Iedereen weet zich uniek, door zijn eigen naam en eigen ervaringen. Er is het  ‘ik’ en het  ‘mij’ waar men steeds mee begaan is. Mensen zijn zich bewust van hun eigen complexiteit. Toch is er iets in de mens, het is een soort innerlijke nostalgie,  om zichzelf met anderen te verbinden.

Door herhaaldelijk de vrijmetselaarsrituelen mee te maken, groeit er bij de Broeder een verlangen om zich één te voelen met de anderen. Zo ervaart hij de drang om de verschillende aspecten van zijn persoonlijkheid te zien als een onderdeel van een groter geheel. Het wordt een bijzondere ervaring: de verovering van de ware autonomie.  Het wordt het zichzelf blijven in een verruimde wereld.

Het belangrijk te beseffen dat de symbolen bij deze rituelen voor elke broeder iets anders kunnen betekenen. De belevenis van de rituelen is iets persoonlijks. Geen enkel symbool draagt een voorgeschreven betekenis. Het is zoals de Achtbare Broeder Raoul Berteaux ooit verklaarde ‘De universele symbolen hebben slechts zin als de personen die ermee omgaan in staat zijn om ze te ontdekken’.

Als hij er voor open staat kunnen de rituelen een Broeder in staat om een persoonlijke en geprivilegieerde vorming te krijgen. Ze kunnen zijn toekomst beïnvloeden vanuit het verleden en heden. We kunnen stellen dat de uitleg van de symbolen en rituelen dan nooit algemeen zijn.   In feite maken ze mechanismen los die dicht bij zijn eigen leven staan. Ze kunnen zijn persoonlijke gevoelens raken, nieuwe gedachten opwekken, en een leven met meer spiritualiteit stimuleren. Zo wordt de vrijmetselarij een methode om het leven van een broeder te verruimen en te verdiepen.

 

Naar Pistis, maître maçon.

Vertaling Johan De Vos

L’ESPRIT DE FRATERNITÉ

L’ESPRIT DE FRATERNITÉ.

Depuis le début du processus d’intégration au sein d’une Loge et durant la majeure partie de la cérémonie d’initiation le candidat est appelé « monsieur ». Lorsque l’impétrant a pris ses obligations la formule de politesse est remplacée par la qualité de « Frère » créant instantanément une relation de confiance qui se concrétise pleinement à la fin de la réunion au moment de l’accueil. Chaque participant nomme le néophyte « Frère » et ce dernier s’exprime de même. Il en résulte un esprit de franchise réciproque dans la droite ligne des Constitutions d’Anderson de 1723 ; texte régulateur de la Franc-maçonnerie moderne ou spéculative[1].

Cet extrait, en note de l’article 1er  des Constitutions, contient implicitement le ciment fraternel grâce auquel l’Ordre a réussi à surmonter les (r)évolutions sociales, économiques et politiques qui ont jalonné ses trois siècles d’existence (qui seront célébrés en 2017).

En Franc-maçonnerie où chacun adhère de sa propre volonté et où nul n’est attendu ni désiré tout Frère recevra en retour de ce qu’il donnera, comprendra ce qu’il voudra bien écouter et ce qu’il voudra bien voir. Pour l’aider dans cette démarche, le principal outil à sa disposition est l’esprit de fraternité qui se subdivise selon trois niveaux. Le premier est le devoir d’assistance mutuelle entre les Frères. Néanmoins que l’on ne s’y méprenne pas, il ne s’agit en aucun cas de fricotage ou de droits prébendiers. Les deux autres niveaux sont interdépendants. Pour les Maçons de tradition c’est l’observance collective des règles immuables de l’Ordre énoncées par les pères fondateurs d’une part et d’autre part le travail permanent sur eux-mêmes des Frères en leur souci de progression initiatique.

La fraternité se concrétise donc, dans un premier temps,  par un lien de grande estime mutuelle entre les membres d’une Loge réalisant une recherche spirituelle simultanément commune au groupe et individuelle en fonction des attentes propres à chacun.

Telle est la perception fraternelle unissant nombre de Frères. État, soulignons-le, déjà sans commune mesure comparé aux relations sociétales courantes. Évidemment suivant les sentiments irrationnels qui régissent les courants naturels d’empathie, il s’établit peu à peu parmi des Frères des liens affectifs privilégiés. Ceux-ci forgeront un concept de fraternité exceptionnel : la fraternité de cœur.

Pistis, maître maçon.

[1]  I De Dieu et la Religion (fin de l’article)

…c’est-à-dire d’être Hommes de bien et loyaux ou Hommes d’Honneur et de Probité, quelles que soient les Dénominations ou Confessions qui aident à les distinguer ; par suite de quoi la Maçonnerie devient le Centre d’Union et le Moyen de nouer une Amitié sincère entre des Personnes qui n’auraient pu que rester perpétuellement Étrangères.

Het geheim van de vrijmetselaars

Er bestaat een haast onuitroeibaar waanbeeld over de geheimen en complotten bij de vrijmetselarij. Daarbij wordt zelfs geroddeld over een joods-maçonnieke samenzwering om de maatschappij te destabiliseren en dat alles, in het grootste geheim.

Wat is wél waar ?

Tijdens de inwijding krijgt de profaan te horen aan welke verplichtingen hij zal moeten voldoen als leerling vrijmetselaar. Aan buitenstaanders mag hij niets vertellen over wat hij hoort en ziet in de loge, zonder daartoe uitdrukkelijk de toestemming te krijgen. Bij deze belofte is er als vanzelfsprekend een uitzondering.  Enerzijds mag de profaan verkondigen dat hij lid is van de orde. Hij kan dit doen aan de mensen waarvan hij vindt dat ze dat mogen weten. Maar anderzijds mag hij nooit zonder diens toestemming de naam noemen van een andere broeder. Deze geheimhouding is zinvol om – onder andere – om de filosofische neutraliteit te bewaren bij vele beroepen.

 Hoe zit dat dan met dat zogenaamde ‘geheim’ ?

Dat geheim bestaat, maar het is van een andere aard dan hetgeen het publiek vermoedt. Het namelijk zo dat elke vrijmetselaar, op zijn manier omgaat met hetgeen er tijdens de rituelen meemaakt. Hij verwerft inzichten en gevoelens door zijn persoonlijke omgang met de woorden, symbolen en tekens. Deze prikkelen zowel zijn intellect maar ze hebben tevens een invloed op zijn manier van zijn. Het gebeurt geleidelijk en het is eigenlijk onverklaarbaar in woorden. Het wordt op den duur onderdeel van een persoonlijke spiritualiteit. Dit onverklaarbare kunnen we eigenlijk een ‘geheim’ noemen. Want het is specifiek voor die ene vrijmetselaar en onoverdraagbaar naar een andere persoon.

De vrijmetselarij is discreet in haar publicaties en in de openbaarheid (bijvoorbeeld naar het internet) en stelt ze zich bescheiden op ten aanzien van de eigenheid van haar leden. Maar het kan ook zo zijn dat broeders en loges onderling van gedachten wisselen over hun ervaringen en dat kan verrijkend zijn.

 

Pistis, maître maçon.

Vertaling, Johan De Vos, meester vrijmetselaar

Over de symbolen in de Vrijmetselarij.

Over de symbolen in de Vrijmetselarij.

Anders dan bij de exacte wetenschappen, waar men absolute waarden erkent, accepteert men bij de Vrijmetselarij ook inzichten die helemaal niet bewezen of aangetoond zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld over de erkenning van een Opperwezen (de Opperbouwsmeester van het Heelal). Dat is niet evident want de Vrijmetselarij wordt vaak geassocieerd met vrijzinnigheid. Die erkenning van een Opperwezen is een basisgegeven bij de Reguliere Grootloge van België en bij de loges die ze erkent.

Bij die loges werken mensen van alle slag. Deze diversiteit is een basisingrediënt bij onze Orde. Het eerste artikel van de Constituties van Anderson uit 1723 is daarover duidelijk:

“ … vervolgens wordt de Vrijmetselarij een verzamelpunt en een middel om mensen die voor altijd als vreemden met mekaar zouden omgaan toch te verbinden”.

In deze optiek kan men begrijpen dat er gezocht wordt naar een universele taal: de taal van de symbolen.  De symbolen van de vrijmetselarij hebben meestal te maken met het de werktuigen van bouw- en meetkunde. Zelfs het grote publiek associeert de vrijmetselarij met passer en winkelhaak.

De symbolen van de vrijmetselarij zijn slechts zinvol via hetgeen ze vertegenwoordigen.  We zien daarbij drie elementen:

  1. Symbolen vormen een universele taal. In die zin bouwen ze mee aan de eenheid tussen de broeders.
  2. Ze tonen iets dat buiten henzelf ligt. Ze zijn de verwijzing naar een gevoel of gedachte. Daarbij dient opgemerkt dat het symbool hetzelfde blijft maar dat de interpretatie kan evolueren.
  3. Ze hebben een opvoedende rol. Door het symbool aandachtig te bestuderen werkt het op het bewustzijn en het onbewuste.

 

Met andere woorden, de symbolen ondersteunen de groei en de vervolmaking van elke vrijmetselaar en voor iedereen die deelneemt aan de arbeid in de Loge.

 

Pistis, maître maçon.

Vertaling Br Johan De Vos,

 

De taal van de vrijmetselaar (2)

Tweemaandelijkse kroniek

 De taal van de vrijmetselaar (2)

Met deze rubriek willen we aantonen dat vrijmetselaars zich niet verstoppen achter woorden.

Wat verstaat men onder de uitdrukking ‘In Forma’?

Bij de vrijmetselarij betekent het dat men zich kleedt volgens de voorschriften om deel te nemen aan de maçonnieke arbeid.

Vooreerst is er het zwarte of donkergrijze pak, het is vaak een ‘smoking’. Daarbij hoort een zwarte vlinderstrik of een zwarte- of maçonnieke das (met bijvoorbeeld de kleuren en symbolen van de vrijmetselarij zoals de passer en winkelhaak). Bij het ‘In Forma’ horen ook zwarte sokken en zwarte schoenen. In deze kledij zijn de broeders enigszins uniform. Het past in de sfeer van broederlijkheid. Tegelijk bedwingen ze de neiging voor vestimentaire fantasietjes.

Tijdens de zitting dragen de broeder ook nog de ‘decors’.  Het zijn : een voorschoot,  witte handschoenen en de juweel van hun loge.

De voorschoot symboliseert de arbeid. Op de oude werven en ook nu nog dragen bouwvakkers en smeden dit kledingstuk. Het was vaak in leder en diende om de werklieden te beschermen.  Bij de vrijmetselaars – die symbolisch werken aan de wederopbouw van de tempel van Salomon – verwijst deze voorschoot  naar die metselaarsarbeid. Hierbij moeten we bedenken dat die tempel het symbool is van de vrijmetselaar zelf, en dat de arbeid de  bouw en heropbouw van een betere ‘zichzelf’ symboliseert.

De witte handschoenen zijn een symbool voor helderheid die de vrijmetselaar moet betrachten in zijn gedachten en handelingen,

Hetgeen men het ‘juweel van de loge’ noemt is meestal een medaille aan een lint. De medaille toont de symbolische elementen die zijn eigen loge vertegenwoordigen.

Het lint is vervaardigd in de kleuren van de loge.

Sommige broeders dragen ook nog een ‘kraag’. Het is een breed lint in de kleuren van de loge die rond de hals gedragen wordt en tot voor de borst komt. Deze kraag wordt gedragen door de broeders die een functie in de loge vervullen, dat kan men zien, want onderaan die kraag bengelt er dan een ander juweel waarvan de vorm die functie symboliseert. De achtbare meester bijvoorbeeld draagt een winkelhaak en de secretaris twee gekruiste schrijfveren enzovoort..

Tot slot

Het doel van de vrijmetselarij is het creëren van een sfeer die nodig is voor de beschouwing.

Bij veel loges voorzien de rituelen en tradities erin dat er een gedachte wordt meegegeven aan de broeders, deze gedacht wordt door elk van hen bijgehouden tot bij de volgende bijeenkomst.

Wij doen hetzelfde bij elke bijeenkomst

Ziehier de gedachte

‘Het belangrijkste is het kijken, niet hetgeen bekeken wordt’

(André Gide)                                                                                                                     

Erès, Meester vrijmetselaar

Wat betekent ‘Reguliere Grootloge’ ?

 Wat betekent  ‘Reguliere Grootloge’ ?

We stellen graag onze traditionele obediëntie voor aan allen die nieuwsgierig zijn om haar te leren kennen.

Voluit:  ‘Reguliere Grootloge van België’ (RGLB)

Om te beginnen verduidelijken we de uitdrukking ‘Grootloge’

 

De overgrote meerderheid van de  obediënties in de vrijmetselarij en in alle talen gebruiken de term die vertaalbaar is als ‘Grootloge’ of Grootoosten’. De betekenis van de termen is dezelfde maar hun oorsprong is verschillend.

Grootloge.

Vrijmetselaars verenigen zich in loges. Er moeten minstens zeven broeders zijn om een loge te stichten. Die loges worden gegroepeerd in obediënties. Er moeten minstens drie loges zijn om een obediëntie te stichten. Een obediëntie die op een reguliere manier gesticht kan de titel van ‘Grootloge’ verwerven.

Grootoosten

Elke loge bevindt zich op een plek die men ‘Oosten’ noemt (bijvoorbeeld de loge Euclides in het Oosten Gent – Gent is dan de plaats waar de broeders van deze loge samenkomen) . Zo gebruikt men ook de term Grootoosten voor de plek waar de administratie van de obediëntie gevestigd is. Meestal is dat een hoofdstad.

De woorden ‘Grootoosten’ en ‘Grootloge’ duiden op geen enkele wijze op de levensbeschouwelijke inhoud van de obediëntie. In feite kan men  beide termen gebruiken, maar indien er in een land (zoals in België) verschillende obediënties naast elkaar bestaan kan het gebeuren dat hun levensbeschouwelijke inhoud wél verschillend is

In België is het grootoosten de oudste obediëntie. Ze werd als eerste gesticht. De obediënties die daarna kwamen gebruikten de benaming ‘grootloge’ eventueel in combinatie met een bijvoeglijk naamwoord als ‘vrouwelijk’ of ‘regulier’. Uiteindelijk koos onze obediëntie voor de kwalificatie ‘regulier’. Vandaar de naam ‘Reguliere Grootloge van België’.

Nota: er zijn obediënties zoals de ‘Ordre Maçonnique International’ of ‘Le Droit Humain’ waarvan er een Belgische tak bestaat die opteren voor een ander benamingssysteem.

(getekend)  Erès, Meester-Vrijmetselaar

 

Tot slot:

‘Bij het eind van een leven moet diegene die hij werd, rekenschap geven aan diegene die hij had kunnen zijn’.

Anoniem

 

De taal van de vrijmetselaar

De taal van de vrijmetselaar

Iets over inwijding

De auteur van deze rubriek wil aantonen dat de Vrijmetselaars zich niet achter de woorden verbergen.

Wie ingewijd, of geïnitieerd wordt, staat aan het begin van een spirituele zoektocht, een geestelijk avontuur.

De Leerling Vrijmetselaar moet allereerst een aantal concrete zaken leren: de maçonnieke symboliek, de gebruiken en gewoontes van de Orde.

Verder wordt van hem een aantal attitudes verwacht: een spirituele ingesteldheid, zin voor zelfdiscipline en zelfstudie, steun en respect voor zijn medebroeders bij hun persoonlijke spirituele ontwikkeling.

De cognitieve kennis van een aantal basiselementen van de symboliek beperkt zich tot een korte leerperiode, die geen jaren duurt. Het gaat hier immers om niet veel meer dan louter “materialenkennis”.

Anders is het gesteld met de attitudes die van de kandidaten worden verwacht en die zich niet beperken tot de Leerlingengraad maar die geldig zijn voor de hele maçonnieke levensweg.

De steun voor de medebroeders, bij voorbeeld, zal meer en meer vorm krijgen naarmate de verantwoordelijkheid van de vrijmetselaar binnen zijn loge toeneemt en ten volle zal kunnen geconcretiseerd worden in het mede opvoeren van de rituelen, het leiden van de loge en de hulp naar de Broeders toe op hun persoonlijke spirituele zoektocht.

Het weze dus duidelijk dat de Broeders, of de peters, er in de eerste plaats niet zijn om de inwijdeling sentimenteel te omringen of hem vriendendiensten te verstrekken.

En tenslotte nog dit:

Een van de doelstellingen van de Vrijmetselarij bestaat erin een sfeer van bezinning op te roepen.
De ritussen en gebruiken van talrijke loges voorzien erin aan alle aanwezige Broeders op het einde van de Werkzaamheden een boodschap aan te bieden, waarover zij zich zullen kunnen bezinnen tot op de volgende vergadering.

Dit zullen wij derhalve ook hier doen om de veertien dagen.

“ Een wijze meester nodigt je niet binnen in het huis van zijn kennis, maar leidt je naar
de drempel van je eigen geest.”

(Kahlil Gibran, De Profeet)

Om alles in zijn juiste context te plaatsen wordt verwezen naar de rubriek “Vrijmetselarij….”, Verwelkoming.

Alvan